De manier waarop je iets zegt, kan een groot verschil maken. Hieronder staan een aantal zinnen die vaak goed werken bij peuters.
1. Benoem wat er gebeurt
“Het is bedtijd. Je lichaam heeft rust nodig om morgen weer te spelen.”
2. Geef een keuze binnen grenzen
“Wil je met de grote knuffel slapen of met de kleine?”
3. Erken het gevoel
“Ik zie dat je nog wilt spelen. Dat snap ik. Morgen gaan we weer verder spelen.”
4. Blijf rustig en voorspelbaar
“Het is tijd om te slapen. Ik kom straks nog even bij je kijken.”
5. Gebruik een vaste afsluitzin
Veel kinderen vinden het fijn als bedtijd elke avond op dezelfde manier eindigt, bijvoorbeeld:
“Welterusten, slaap lekker, ik zie je morgen weer.”
Herhaling geeft veiligheid.